vrijdag, november 17, 2006

Terug bij af: Integrale tekst van de Etty Hillesum-lezing van Haci Karacaer

Als de generatie van mijn moeder wilde aangeven in welk jaar iemand was geboren, ging dat in beelden als ‘die en die is geboren in het jaar dat de beroemde boef Hacikke Korro is vermoord’. Korro was een boef die in de landelijke regio waar we woonden vrouwen lastig viel. Of in het jaar dat Kotan en Heleman met een geweer in de hand een meningsverschil wilden uitvechten. In het dorp van mijn vader werd wel vaker een vuurwapen getrokken. En het gebeurde maar al te vaak dat er een halve dag lang schoten gewisseld werden. Met de nodige slachtoffers van dien. Als er een dode viel lag de zaak voor de dader vrij simpel. Die ging de gevangenis in. Aan de kant van het slachtoffer lag het gecompliceerder. Als hij een zoon had, werd die vanaf dat moment klaargestoomd om de dood van zijn vader te wreken. De weduwe werd opnieuw uitgehuwelijkt, als het kon aan een ongetrouwde broer van haar man, en anders zorgde ze de rest van haar leven voor de kinderen en kleinkinderen. Als zij ongetrouwd bleef, liep ze gerede kans door de mannen uit het dorp lastig gevallen te worden. Haar reputatie ging er aan, ze zou een slechte moeder wezen, die ‘het nest niet bij elkaar hield’ en de mannen trof uiteraard geen blaam. Totdat er weer twee mannen ruzie om haar kregen. En die ruzies liepen regelmatig uit op een nieuw vuurgevecht. Maar vrouwen waren niet de enige aanleiding om te gaan schieten. Het kon ook om zoiets banaals gaan als kinderen die ruzie hadden of koeien die zich te goed deden aan het gewas van de buurman. Of het ging gewoon om de machtsvraag, iets wat in elke stammengemeenschap speelt.
Dinsdag was een bijzondere dag op de kalender van het plattelandsleven. Dan was het marktdag. De dorpelingen pakten de dolmus naar de stad, een minibusje, dat in grote delen van Turkije de enige vorm van openbaar vervoer was en trouwens nog is. Nou ja stad, in ieder geval een plaats die groter was dan ons dorp. Met een school, en een politiebureau, dat ook dienst deed als gevangenis. In zo’n dolmus zaten dus ook de mensen die hun verwanten in de gevangenis gingen bezoeken. Al het nieuws uit de streek werd uitgewisseld, en na de nodige bezoeken te hebben afgelegd en het doen van de boodschappen ging de reis weer terug naar het dorp.
Zo zou het leven in het dorp er vandaag waarschijnlijk nog hetzelfde uit hebben gezien, als er op een dag niet de eerste berichten opdoken over het grote geld dat in landen als Duitsland, België en Nederland te verdienen viel. In alle gezinnen, het koffiehuis en de moskee was het het gesprek van de dag. Elke volwassen man of bijna volwassene wilde wel dat snelle geld. Een paar jaar werken in het verre westen om dan als vermogend man terug te keren en je eigen zaak te starten, land te kopen, je eigen baas te zijn. De eerste mannen werden feestelijk uitgewuifd. Het zou immers maar voor korte tijd zijn. Ze zijn nooit meer terug gekomen. Eerst vertrokken de mannen. Later gingen de eerste vrouwen en kinderen hen achterna om wortel te schieten in een vreemd land. In een jaar of twintig was Sagirkaraca, het dorp waar ik het over heb, een spooklandschap geworden, waar nu nog maar zo’n vijftien gezinnen wonen. Het huis waar mijn vader is geboren, bestaat niet eens meer. Het is allang gesloopt.
Overigens ben ik niet in Sagirkaraca geboren, maar in Aksaray, een stadje in de buurt. Ik weet dus waar ik geboren ben, en in welk seizoen, omdat mijn moeder zich de bloeiende abrikozenbomen herinnert. Dat kan kloppen, want volgens mijn vader was het maart 1964. Dat wil overigens niet zeggen, dat ik ook zo in de boeken sta. Volgens mijn paspoort ben ik op 1 januari 1962 geboren. Meer dan negentig procent van de Turken van mijn leeftijd of ouder is administratief op 1 januari geboren. Dat heeft te maken met de werking van de Burgerlijke Stand in Turkije. Bij het bezoek aan de jaarmarkt in de grote stad in de buurt werden alle kinderen die in de voorgaande periode waren geboren aangemeld. Of het gebeurde een jaar later. Verjaardagen hebben nooit een grote rol gespeeld in de islamitische cultuur, sterker nog: conservatieve moslims zien het als een westerse decadentie.Je vader heeft immers bij je geboorte een schaap geslacht, en daar doe je het maar mee voor de rest van je leven.In mijn geval ligt mijn geboortedatum nog iets gecompliceerder. Tot mijn vijfde bestond ik administratief niet. Mijn vader was inmiddels naar Europa vertrokken. En ik wilde per se naar school, daarvoor moest ik in de Burgerlijke Stand worden ingeschreven, want je moest in het toenmalige Turkije kunnen aantonen dat je zeven jaar was voor je naar het basisonderwijs mocht. Met mijn moeder en een tante van haar ben ik naar de grote stad getrokken om me te laten inschrijven in het bevolkingsregister. Ik was niet bepaald onder de indruk van al dat ambtelijk gedoe – toen al niet- en als Koerdische jongen verstond ik niets van wat er gezegd werd. Voor een vijfjarige was het een vreemde ervaring dat de taal waarin ik alles geleerd had wat ik op dat moment wist blijkbaar in de grote buitenwereld niet bestond. Mijn moeder en mijn tante hebben me dus als zevenjarige opgegeven, zodat ik naar school kon. En vanaf dat moment af, was ik dus in 1962 geboren. In de winter wel te verstaan, op 1 januari.
Aksaray is een klein stadje in het hart van Turkije. Het ligt 220 kilometer ten zuiden van Ankara. Het is het bewoonde centrum van een agrarisch gebied, waar het leven van de mensen draait om de teelt van komkommers, tomaten en uien en de vele soorten paprika en peper die Turkije rijk is. En natuurlijk nog de andere soorten groenten en fruit die in de tuin of op het land om het huis werden verbouwd, en die voorzover ze niet voor eigen consumptie werden gebruikt naar de markt werden gebracht om te verkopen. De appels, abrikozen en de perziken werden in keurige pyramides gestapeld om de kopers te trekken. Want om,dat iedereen zo ongeveer hetzelfde kweekte en teelde was kwaliteitsonderscheid niet alleen voldoende. Het kwam vooral ook op de presentatie aan. Ik denk dat ik daar een hang naar perfectie aan heb overgehouden. Het bedrijf werd gerund door mijn vader en moeder samen. Mijn vader was zowel landbouwer als veeboer. Hij handelde dus ook in koeien. Tot hij in 1969 besloot naar Europa te gaan. Dat lukte met behulp van vrienden die hem waren voorgegaan. Hij wilde eigenlijk zoals zoveel Turken het liefst naar Duitsland, maar hij kwam in België terecht. Van daaruit vertrok hij naar Nederland om bij een poeliersbedrijf in Barneveld terecht. Een grotere overgang als die van zelfstandige veeboer naar kippenslachter aan de lopende band is nauwelijks denkbaar.
Vanaf dat moment was het mijn moeder die het bedrijf in haar eentje runde. Wat natuurlijk voor mij als jonge zoon des huizes ook extra verantwoordelijkheden met zich meebracht. Wij woonden officieel wel in Aksaray, maar het huis lag ver buiten de bebouwde kom, ver buiten de bewoonde wereld, midden op het platteland. Het was een lemen huis temidden van zo’n tienduizend vierkante meter grond. Mama verbouwde hier haar tomaten en komkommers en zoals gezegd stonden er ook abrikozenbomen. Die stonden er niet alleen voor het fruit, maar ook als natuurlijk zonnescherm om onder te schuilen in de schaduw of te eten. Voor dag en dauw stond mama op om de tomaten en komkommers te plukken die bedoeld waren voor de verkoop. Ze werden verpakt in grote kisten of zakken, die wel zestig kilo konden wegen. Dan was het mijn beurt om op te staan. De kisten en de zakken moesten op een muilezel worden getild en worden vastgebonden voor het vervoer naar de markt. Ik ging met mijn moeder mee naar de markt en hielp haar bij de verkoop. Na afloop gingen we met de ezels weer naar huis. Onze ezels hadden een eigen stal en een paar keer per dag ging ik met één van de ezels, een ezelin, naar een nabijgelegen steenfabriek om drinkwater te halen. Ons huis had geen waterleiding. Op de steenfabriek werkten uitsluitend jonge vrijgezelle mannen. Als jongen van zeven kon ik niet altijd instaan voor de veiligheid van mijn ezelin. Als de hormonen bij de fabrieksarbeiders te erg opspeelden kon ik af en toe niet voorkomen dat de ezelin genomen werd door hen. Terwijl ik nog op het beest zat. Ik begrijp ook niet waarom Theo van Gogh het altijd over geitenneukers had als hij moslims bedoelde. Schapen en geiten worden juist met rust gelaten omdat volgens de overtuiging van de mensen het ongehoord was om een dier dat je kon eten te nemen. Ezels, paarden en zelfs honden waren de favoriete speelkameraden om stoom af te blazen.
Tot mijn vijfde liep ik rond op blote voeten met een blauwe jurk aan. Als baby al was ik het enige gezelschap van mijn moeder als zij op het land aan het werk was. We waren elkaars enige gezelschap, want omdat we zo afgelegen woonden was er niemand anders die voor mij kon zorgen. Ze nam me mee naar het land en legde met in de schaduw van één van haar komkommerplanten. Later vertelde ze me dat er op een keer zelfs een slang over mijn gezicht is gekropen. Ik ben blij dat ik toen nog een kind was, die nog niet een instinctieve angst voor slangen had ontwikkeld. Ik heb er zelf niet eens een herinnering aan overgehouden. Slangen en andere beesten horen bij het landleven. In onze woon-slaapkamer hadden we zelfs een wespennest. Regelmatig, en dan het liefst ’s nachts, werd één van ons gestoken. De anderen werden dan wakker van het gegil van het slachtoffer.
Laat ik terugkomen op mijn liefde voor school. Ik bestond inmiddels administratief en ik kon de wondere nieuwe wereld van boeken, schoolborden en strenge leermeesters betreden. Ik ben altijd met veel plezier naar school gegaan. Ik ben nu eenmaal nieuwsgierig van aard.
Zoals u ziet ben ik niet zo groot. Toen ik naar school ging was ik dus ook echt klein. Het schoolhoofd weigerde te geloven dat mijn leeftijd op mijn inschrijving ook mijn echte leeftijd was. Mijn moeder moest er waar aan te pas komen om hem duidelijk te maken dat ik toch echt op een leeftijd was aangeland dat ik Turks moest leren. Mijn moeder kon erg overtuigend zijn als ze iets in haar kop had. Ik mocht dus naar school. Ik was één van de betere leerlingen. En na vijf jaar basisschool ging ik eerst drie jaar naar de middelbare school en vervolgens drie jaar naar het lyceum. Ik zal u er niet mee vermoeien om u uit te leggen hoe het Turkse onderwijssysteem in elkaar zit.
Maar de onderwijsmethode is wel nuttig om te weten: drillen, drillen en nog eens drillen. In Nederland debatteren we erover of het om inzicht gaat of om kennis. We gaan ervanuit dat geëmancipeerde burgers het beste voor zichzelf en de samenleving waar kunnen maken. In mijn herinnering aan het onderwijs was het dat de staat vooral gedisciplineerde burgers nodig had. In alles werd dat onderstreept. In de rituelen, in de verboden, in de straffen, in de onderwijsmethoden. Je was onderdeel van het collectief.
Helemaal onbegrijpelijk is dat niet. Turkije in zijn huidige vorm is nog geen honderd jaar oud. Na het debakel van de eerste wereldoorlog – het oude Ottomaanse Rijk bestond niet meer en Turkije had de verkeerde bondgenoten gekozen – werd het eens zo trotse land teruggesnoeid tot zijn huidige gebied. Zonder het ingrijpen van het leger in 1921 , en vooral zonder de leiding van Mustafa Kemal Pasja, de Vader des Vaderlands Atatürk (letterlijk: vader der Turken) zou het land weer uiteengevallen zijn in stammenrijken. Vanaf dat moment was iedereen Turk, welke van de vele tientallen etniciteiten hij of zij ook had. En dat zouden we weten ook. Ataturk en de beweging rondom hem heen vormden een vreemd amalgaam van Ottomaanse nostalgie, vooruitgangsoptimisme, nationalisme en open oog voor de noden van het volk. De nieuwe doctrine werd een mengeling van nationalisme en socialisme, zonder de foute bijsmaak die dat nog geen tien jaar later zou krijgen bij de voormalige bondgenoot van Turkije. Het arabisch schrift werd vervangen door het latijnse. Onderwijs werd verplicht, iedereen kreeg toegang tot overheidsambten. De scheiding tussen Kerk en Staat werd zo rigoureus doorgevoerd, dat de imams voortaan beroepen werden door een heus overheidsministerie, het Directoraat voor Geloofszaken. Uitingen van tribalisme of geloof in de openbare ruimte werden verboden, zoals het dragen van een fez, een baard of een hoofddoek in overheidsdienst. Maar er gebeurde meer. Er kwam een voor die tijd uiterst moderne grondwet met een scheiding der machten, gevormd naar Zwitsers model. Het algemeen kiesrecht werd ingevoerd. Het is een beetje cynisch dat diegenen die twijfelen aan het democratisch gehalte van Turkije als toetssteen voor de toetreding tot de EU, vergeten dat het vrouwenkiesrecht in Turkije ruim twintig jaar eerder werd ingevoerd dan in een land als België, mede-oprichter van de EU. Turkije kende een artistieke vrijheid zonder weerga in de islamitische wereld. Als je Turkije niet meerekent worden er in de islamitische wereld per jaar minder literaire werken uitgegeven, let wel binnen de islamitische wereld en niet door auteurs die alleen in ballingschap kunnen publiceren, dan in een land als Griekenland. We hebben het dan over een verhouding van een land van 12 miljoen inwoners een een regio van 300 miljoen inwoners.
Maar Turkije ligt nog altijd in de Oriënt, of conservatiever gezegd, in de Levant. Turkije zou Turkije niet zijn als er niet een fikse dosis schizofrenie bij kwam kijken. Atatürk was geen democraat, hij was een moderniseerder, die wist dat hij brede steun nodig had. En daarom legde hij zijn erfenis in handen van het leger. Dat in naam van de seculiere democratie een paar keer een staatsgreep zou plegen en elke afwijking van de norm van de staatsmacht genadeloos onderdrukte. We zijn allemaal Turken. Waag niet te melden dat je Armeniër of Koerd bent. Waag het niet om corruptie in en om het leger aan de orde te stellen. Waag het niet om een eigen interpretatie aan de islam te geven, die afwijkt van de gebaande paden van de genationaliseerde staatsislam. Daar weten de alevieten en de mensen van Milli Görü? over mee te praten. Daar ligt de kern van de Turkse ziel. We zijn trots op onze geschiedenis. Als Turk, maar ook als bewoner van het platteland dat niet meer bestaat. We zijn trots op het Ottomaanse verleden, maar willen hopeloos modern zijn. We zijn moslim maar willen ook normale burger zijn. We willen bij Europa horen, maar kom niet aan de Turkse gevoeligheden. We willen individu zijn zonder de geborgenheid van onze familie en gemeenschap kwijt te raken. We willen de wetten gehoorzamen, zonder de tradities van het oplossen van problemen in eigen kring – hoe heftig ook – helemaal los te laten. We willen een heleboel tolereren, feminisme of zelfs homo’s, zolang het maar geen aanstoot geeft of ons direct raakt. Het dillemma van elke Turk in het seculiere westen is de continue jeuk tussen zijn verstand en zijn hart. Vandaar dat we onszelf opsluiten, terwijl we weten dat die trein, net als de oude Oriëntexpress een eindstation heeft. Als die trein op het kopstation aan de Bosporus in Istanbul aankwam waren er maar twee mogelijkheden: uitstappen of teruggaan.
Mijn weg, was als de weg van zovele migranten, nieuwe wegen zoeken. Weggaan van gebaande paden.
Terug naar mijn verhaal.
Hoe ouder ik werd, hoe meer taken ik van mijn vader overnam. Als oudste zoon bij afwezigheid van mijn vader heb veel moeten regelen voor mijn moeder en ons gezinnetje. In het begin kwam hij eens in de twee jaar voor vakantie, later werd dat eens per jaar. Mijn zusje, inmiddels overleden, zag de man als een vreemd. Zoals in een Nederlandse reclame: “Mama wie is die man die op zondag bij ons het vlees komt snijden?” Zusje weigerde dan ook samen met ons aan tafel te eten als pa er was.
Op 5 februari 1982 kwam ik naar Nederland. Ik zat voor het eerst in het vliegtuig. Tot op de dag van vandaag kan ik de angst voelen die mij overviel bij het opstijgen. In het vliegtuig ging het nog wel, ik was niet de enige Turk. Maar eenmaal op Schiphol wist ik dat ik in een totaal andere wereld was beland. Een wereld die me nog danig zou opbreken.
In Turkije had ik me als een kind uit een minderheidsgroep via school opgewerkt tot een trots lid van de Turkse meerderheid. Terugkijkend zou je me een goedgedrilde nationalist kunnen noemen toen ik aankwam. In Nederland was ik terug bij af. Niks meerderheid. Minderheid en nog onderklasse ook. Ik sprak de taal niet, mijn schooldiploma’s deden er niet toe. En de verhalen die mijn vader verteld had over de de algemene welstand van Nederland en de persoonlijke welstand die hij zelf had opgebouwd bleken ook anders dan ik me had voorgesteld. Ik wilde vooruit, ik wilde leren. Maar vreemd genoeg voelde ik, afgezien van de tijdelijke warmte bij een glas thee, me nauwelijks thuis bij Turkse organisaties. Er hing een beetje de sfeer van nostalgie, van losers omheen, niet die van mensen die een uitdaging aangaan.
Want dat was bij uitstek de generatie van mijn vader. De aanpakkers, de durvers. Als je de stap durft te maken om huis en haard te verlaten om in een volstrekt vreemd land iets op te bouwen moet je moed, zelfvertrouwen, durf hebben. Uithoudingsvermogen en een huid als een olifant. Je had te maken met een samenleving die je als tijdelijke gast zag. Welwillend weliswaar, maar toch voor tijdelijk. En dus waren er geen voorzieningen. Eerst was er kamp Ataturk in Amsterdam, een heus barakkenkamp voor arbeiders van Ford en de Hoogovens, later kwamen de even illegale als brandgevaarlijke pensions van huisjesmelkers waar de ‘gastarbeiders’ bedden deelden in een drieploegendienst. De mannen woonden daar zonder privacy, zonder gezin. Mijn vader heeft over die pionierstijd veel verhalen verteld. Verhalen die hij begrijpelijkerwijs aan mijn moeder louter in gekuiste vorm heeft herhaald. Hoe ze allemaal wel een scharrel hadden. Waar ze af en toe de benen onder tafel konden steken. Of eens konden overnachten. Hoe ze van Nederlandse vrijwilligers taallessen kregen. Ze wilden dat zelf, en in mijn herinnering lag het rendement van die lessen hoger dan de gedwongen lessen van nu. Het lijkt vreemd, maar het was in die tijd vooral de vrouwen- en homobeweging die het meest enthousiast bezig was met die taallessen. In de gastarbeiders herkenden ze blijkbaar lotgenoten en dat was wederzijds. De tolerantie en pioniersgeest aan beide zijden is in minder dan dertig jaar helaas verloren gegaan. Dat geldt ook voor hun wereldbeeld. De generatie van mijn vader ging als een trotse ontdekkingsreiziger op weg naar nieuwe havens. Een deel van hun kleinkinderen straalt uit, dat ze aangedokt zijn, rijp voor de sloop.
Ik besloot na mijn aankomst dus verder te leren. Elke opleiding, elke baan was een nieuwe stap. Ik wilde bij de hoofdstroom horen. En ik wilde geen minderheid zijn. Vreemd genoeg ben ik in het kleine wereldje van de Turken in Nederland er steeds weer met mijn neus op gebrukt, dat ik weliswaar een Turks paspoort had, maar ik eigenlijk een Koerd was. Een trapje lager dus. Elke Turk herkent een andere Turk, maar je eerste vraag is altijd: waar kom je vandaan, of waar komen je voorouders vandaan. Je familienaam verraadt het eigenlijk al meteen. Er zijn dorpen waarvan de meerderheid dezelfde familienaam draagt, en je elkaar alleen uitelkaar kunt houden door erbij te vertellen dat je de zoon, kleinzoon, achterkleinzoon van die en die bent. Nadat ik met pijn en moeite mijn Koerdische identiteit op school had moeten prijsgeven, heb ik die noodgedwongen uit lijfsbehoud of gewetensrust in Nederland weer moeten herontdekken. Dat is een vreemd fenomeen, dat bijvoorbeeld ook Berbers, in Marokko een veelal ontkende minderheid, maar in Nederland de meerderheid van de Marokkaanse ‘gastarbeiders’ (ook met een eigen taal, ook met een eigen cultuur, ook met een plattelandsachtergrond) hebben ervaren. En dit fenomeen beperkt zich niet tot Turken of Marokkanen. In zijn bij tijd en wijle hilarische autobiografie “Blühende Landschaften –Eine Heimatkunde” beschrijft de Duitse schrijver Peter Richter hoe hij als Oostduitser uit Schwaben pas na de val van de Muur als emigrant in West-Duitsland een Oost-Duitser werd. Het was nooit bij hem opgekomen. Hij was Schwabe. Maar in West-Duitsland, waar menigeen van zijn argeloosheid misbruik wenste te maken, van de huisbaas tot de werkgever, kreeg hij collectieve eigenschappen toegedicht, die niet die van hem als indivdu waren. Hij kreeg stempels opgedrukt, aan de andere kant miste hij essentiële dingen in het leven van alledag die hij vanaf zijn kindsheid gewoon was. Emigrant zijn betekent universeel het verlies van normaliteit en het opgedrongen krijgen van een nieuwe normaliteit, die misschien wel in essentie, maar in zijn vorm de jouwe is. Als anderen gaan bepalen wat jouw identiteit is, is het knap lastig integreren. Duizend maal per dag laveer je tussen kapitulatie en gevecht, tussen verstoppertje spelen en toch je eigen ding doen. Tussen twijfel aan jezelf en je omgeving voor gek verklaren. Ik denk dat het niet voor niets is, dat de emancipatie bij migrantenvrouwen beter slaagt dan bij hun echtgenoten. Bij meisjes beter dan bij jongens.
Tijdens mijn loopbaan als systeembeheerder bij de gemeente Amsterdam heb ik ook veel moeten leren. Binnen no time was ik daar de Robin Hood. Het was een bedrijf van vijftig medewerkers met een onbeschrijflijk ouderwetse leiding. Kunt u zich voorstellen, een bedrijf dat draait op de uitdagingen van de ICT maatschappij en gedrenkt is in de sfeer van de kostprijs van puntenslijpers en blocknootes. Ik was de nieuweling die zich niets aantrok van de codes van het bedrijf. Ik durfde in vergaderingen de leiding het vuur aan de schenen te leggen. Mijn collega’s vonden prachtig, maar helemaal begrijpen konden ze het niet.
Op een dag vroeg een collega mij geheel argeloos;” Haci, hoe komt het toch dat jij met kop en schouders boven ons uitsteekt” Nou ja, en dat met mijn lichaamslengte, maar ik meende te begrijpen wat hij bedoelde. Ik was primus inter pares. De eerste onder gelijken. Dat gaf natuurlijk een goed gevoel. Ik was geïntegreerd, al gebruikten we dat woord toen nog niet. Maar mijn ego kreeg een gevoelige knauw bij een volgende gebeurtenis.
Mijn assistent had een groot respect voor mij, en ik voelde me dan ook vereerd toen ik werd uitgenodigd voor zijn huwelijk. Het was mijn eerste huwelijksfeest in Nederland. Ik kom in de feestzaal en zie daar Ger, mijn assistent, en zijn aanstaande in een prachtige jurk. Hij begroet me, en wijst op zijn bruid: “Ze ziet er prachtig uit hé?” Ik begon onmiddellijk te blozen. Ik mompelde wat voor me uit als “zoiets moet je mij niet vragen” en wist niet hoe gauw ik weg moest komen. Ger stond geheel verbouwereerd daar, hij herkende de altijd zo assertieve Haci niet meer. Ger kon niet vermoeden dat de Haci die hij kende als zijn assertieve chef al 27 jaar zo geconditioneerd was, dat het voor hem onmogelijk was om in het openbaar complimenten te maken aan andermans vrouw.
En daarmee kom ik op het punt van de littekens van de integratie. Onze weg van emigratie en emancipatie valt geografisch en temporeel op de meter en de seconde te boekstaven. We weten op de dag nauwkeurig wanneer we uit onze thuishaven vertrokken en wanneer we aankwamen. Onze carrière staat minitieus opgetekend in onze cv’s, die we nog zorgvuldiger bijhouden dan onze Nederlandse collega’s, want het is onze sleutel voor de toekomst. We gaan voor de hoofdprijs, want dat betekent dat onze kinderen naar nog betere scholen kunnen gaan. We willen weg uit afbraakwijken, want dat is beter voor onze kinderen. We zijn bereid uit te varen naar telkens nieuwe havens, we zijn ondernemend genoeg. Fysiek gezien dan. Als je in ons hoofd kijkt, zijn we in elke haven die we ooit hebben aangedaan blijven hangen. We zijn nooit echt vertrokken en nooit echt aangekomen. Als je in ons hoofd kijkt tenminste. Misschien waren het de loodsen, de havenautoriteiten, werden we echt alleen als passanten gezien of hadden we zelf teveel geestelijke asbest aan boord.
Voor zo ongeveer elke immigrant in Nederland, hier geboren of niet is islam het codewoord. Er zijn in Nederland zestien miljoen islamdeskundigen. En de meesten menen op goede gronden moslims te kunnen haten. Niet in fysieke zin, zoals vroeger in de Waterloopleinbuurt in Amsterdam, maar in geestelijke zin is een bevolkingsgroep opgesloten in een getto: u bent moslim, dus u hoort er niet bij. Niet bij onze rechtsstaat, niet bij onze vrijheden, niet bij onze vooruitgang. Nou ja, vooruitgang, ok. We boeken bij het Turkse reisbureau omdat het goedkoper is, we halen Turkse pizza omdat het beter is dan McDonalds en overigens behoren Turkse ondernemers tot de meest innovatieve van Europa. Zolang we het I-woord maar niet hoeven te horen.
Onkunde hangt als een molensteen om onze nek. Zowel van Nederlanders als – ik wilde even zeggen als van moslims – maar ik bedoelde natuurlijk Turken, Koerden, Armeniërs, Alevieten, Soennieten, Shi’iten, Surinamers, Marokkanen, Berbers, Algerijnen, Somaliërs, Irakezen en Iraniërs en al die anderen uit die gordel van pijnbomen, wijngaarden en zand, die worden onderdrukt in de naam van uw Verlichting? De Gordel van Smaragd van onze eeuw. Sorry voor deze haperende verwijzing naar Multatuli’s Max Havelaar. Er is iets soortgelijks aan de gang als in de tijd van het Nederlandse kolonialisme. We menen te weten wat mensen zijn op basis van hun afkomst. De Indiër, de nobele wilde die door zijn wil als zelfstandig individu erkend te worden knaagde aan de wortels van het Koninkrijk van toen is de moslim van vandaag. We kunnen niet bestaan zonder ons wederzijds vijandsbeeld. Dat leidt tot vervreemding. Een wederzijdse vervreemding.
Als je media, politiek, en zelfs de meeste wetenschappelijke publicaties volgt is het terrorisme, de politieke islam, de opstelling van staten als Iran en Irak terug te voeren op de islam. Of het om puntje punte Marokkanen gaat, om Koerdische seperatisten, eerwraak, het maakt niet uit: one islam serves all. Heb je een foute naam of een foute postcode, je kunt zelfs je sollicitatiegesprek al vergeten. Er is in Nederland en zeker ook in onze buurlanden na 9/11 – en bij ons na de moorden op Pim Fortuyn waar geen moslim bij betrokken was, en die op Theo van Gogh een omslag te bespeuren in het denken. Islam wordt niet meer gezien als een geloof in al zijn gradaties, maar als een ras. Je bent het of je bent het niet. Als moslim geboren, je bent het voor je leven. Je bestaat dus niet meer als individu.
Dit is het dilemma van elk kind van een migrant. Mohammed B. , Mohammed Atta, of de kofferbommenleggers uit Duitsland zijn geen terroristen die van buiten komen. Het zijn bij wijze van spreken kinderen die bij wijze van spreken op onze eigen schoot zijn groot geworden. Ze zijn even vreemd in Nederland als in de droomwereld van hun ouders. Ze knutselen hun eigen verleden bij elkaar vanaf het internet, niet het meest betrouwbare nest om naar je roots, je haven van herkomst en je thuishaven op zoek te gaan.
Is er een remedie, een uitweg. Jazeker. Hou op om migranten te beschouwen als mensen die in een bepaald religieus cliché horen te passen. Bekijk ze als individu en bekijk hun situatie sociologisch en niet religieus.
Jan Hoek, hoofdredacteur van Spunk was op vakantie in Beiroet toen de oorlog uitbrak. In het Parool van vrijdag 21 juli beschrijft hij hoe hij het land uitkwam via Syrië naar vervolgens Turkije. Het werd een tocht van drie dagen, die zonder de hulp van de chauffeur nooit was gelukt. “Alleen al aan de Syrische grens, met talloze loketten waar niemand Engels spreekt, maar wel met veel schreeuwen, duwen en omkopen” De rest van de taxirit daarna was vooral relaxed. Een jongen bracht hem een portie falafel, zonder dat hij er iets voor hoefde te hebben. Weer een ander nam hem mee in de auto en bracht hem naar een hotel. Iemand bracht hem naar Istanbul, waar hij met zijn moeder veilig het vliegtuig naar Nederland kon nemen.
Hoek relativeert zijn avontuur. Syrië schijnt tot de as van het kwaad te horen. In Nederland zijn mensen ook bereid vreemden te helpen. Maar zou een Syriër die gestrand is op een busstation in Emmeloord ook een lekker gratis patatje aangeboden krijgen?
Begin vorig jaar overleden kort na elkaar mijn gehandicapte zoon, mijn vader schoonvader en mijn oma. Ik heb ze in Turkije begraven. Het was een warm bad waarin ik terecht kwam, van medeleven, niet een handje op een receptie, maar diep van uit het hart. Voor mezelf heb ik een graf geregeld in Nederland. Maar iedereen moet begraven worden in het land waar hij wilde wonen. Ik ben op een moment de menigte die kwam condoleren ontvlucht. Misschien ben ik een grotere individualist geworden dan ik wil toegeven. En ik ben ergens in het landgoed van mijn vader onder een boom gaan zitten. Om voor mij uit te staren. De balans op te maken zogezegd. Op een gegeven moment merkte ik dat de bloesem van de boom waaronder ik zat neerdwarrelde op mijn schouders. Toen wist ik dat de cirkel rond was. Ik ben Haci Karacaer, uit Aksaray en ik ben burger van deze wereld. Haci Karacaer is voorzitter van Stichting Marhaba Kunst en Cultuurhuis, was directeur van Milli Görü? Noord-Nederland en is bestuurslid van de Westermoskee

donderdag, oktober 12, 2006

Wie durft zijn schil af te doen?

Alle ideeën, of ze nu religieus zijn of seculier, hebben een buitenkant en een binnenkant. Met andere woorden: er is een genormeerde buitenkant die op zichzelf een product van menselijke interactie in een tijdhorizon. De normen kristalliseren zich dus uit via gesprekken, discussies, confrontaties en soms botsingen. Na een bepaalde tijd is nu het moment van uitkristallisering aangebroken. Zo hebben we de ‘buitenkant’, de ‘normen’ van ons idee
Terwijl de waarde, de essentie van het idee in de kern ervan verborgen blijft. Dat is wat ik noem de ‘binnenkant’, de kern. Dat is ook de constante. De buitenkant, de schil, is hard in plaats van zacht, het is niet voor niets de schil, de bast of het pantser. Het is niet voor niets de schil. In het beste geval wordt de schil hergebruikt als diervoeder. Een ei wordt getikt, appel geschild en een noot gekraakt. Maar die kern die overblijft is ook verteerbaar voor degene die het fruit in kwestie niet kent. Ook al is het na eerst voorzichtig geproefd te hebben.
Als je anderen voor een idee wilt winnen, moet je ze meenemen naar de kern. Je moet samen door de schil heen, daarachter kunnen kijken. We moeten als een archeoloog gaan graven in elkaars kernen. Dan zullen we zien dat we helemaal niet zover van elkaar staan. Afgezien van een aantal uitzonderingen is wat de mensheid heeft voortgebracht dienstbaar aan een beter en gelukkiger leven.

Het kenmerkende van het huidige integratiediscours is dat het blijft steken op het niveau van wettelijke maatregelen. De nieuwe Nederlanders worden niet via hun ‘harten en hoofden’ benaderd, maar via de wet. Ik wordt geconfronteerd met ‘uw normen en waarden’. Ik hoor alleen maar: “Je hebt er zelf voor gekozen om in dit land te komen wonen, dus moet je onze normen en waarden accepteren.”Je moet je aanpassen, of beter nog: assimileren.


De geschiedenis laat zien dat een dergelijke aanpak uitsluitend leidt tot botsingen. U laat mij de ‘buitenkant’ van uw samenleving, uw democratie en uw waarden zien. U biedt mij alleen uw schil, uw pantser aan. Ik zou zeggen dat we last hebben van een teveel aan normatieve vroomheid. U gaat er vanuit dat ik heb meegedaan met het totstandkomingproces ervan Het proces van het idee tot de uitkristallisering ervan in normen. Ik heb de schil van uw idee niet zien ontstaan. probeert mij te verleiden alleen naar de schil te kijken, terwijl ik niets weet van de kern van uw samenleving, uw democratie, uw waarden.
Deze liggen immers veel dieper, we praten daarom om een kern. Hoe ziet de ‘betekeniskaart’ van uw samenleving eruit? Welk idee staat achter ‘uw democratie’? Dus kom mij niet vertellen dat ik bijvoorbeeld homo’s moet accepteren omdat artikel 1 van de Grondwet dat van mij eist. Vertel mij liever over de diepe gedachten achter artikel 1. Dan pas hebben we echt een gesprek waar we verder mee kunnen komen. Nee, men kiest voor de weg van het minste werk, en dat is tegelijkertijd de weg van de meeste weerstand.

Hebben we hier te maken met een reële armoede of is er sprake van luiheid. Want het is pijnlijk te constateren, hoe weinig denkers er zijn. Denkers die niet alleen bereid zijn, maar ook in staat zijn om over de kern artikel 1 of de kern van onze samenleving’, onze democratie, onze waarden’ te vertellen.

Dit verhaal geldt natuurlijk ook voor de nieuwe Nederlanders. Zij kunnen niet slechts volstaan met: dit is mijn cultuur, mijn religie of mijn identiteit. Heb er respect voor!. Zo werkt het niet. Ook zij moeten weg uit hun comfortabele zone van het eigen gelijk. Vertel me nu waar ik respect voor moet hebben. Respect dat je zomaar ontvangt is meestal leeg.

De vraag die zich steeds weer opdringt is de volgende: wie durft zich kwetsbaar op te stellen? Met andere woorden: wie durft zijn schil, zijn pantser af te doen.

zaterdag, september 30, 2006

The Challenge of Understanding Islam

Ibrahim Kalin*

It was almost unimaginable before the September 11 terrorist attacks on America to think that there would be so much interest in the faith of 1.2 billion people of the world. As the events before and after the attacks convincingly showed, the new challenge facing all of us in America is to understand Islam and the Muslim world, and to do this with courage, honesty, and knowledge. Our perceptions of Islam and Muslims are mediated through a highly complex set of TV images, Hollywood stories, policy decisions, theological and historical prejudices, and lack of first-hand knowledge of Islamic culture and civilization. The media frenzy about the so-called Islamic terrorism or terrorism coming out of Muslim countries help us understand neither the root-causes of such acts of terrorism against America nor Islam as a religion and as a civilization.
Let us begin with some of the basics of Islam. In contradistinction to the widely held notion in the West, Islam is a member of the Abrahamic family of monotheistic religions. Muslims believe in one and the same God as Jews and Christians do. Tawhid, the most fundamental doctrine of Islamic faith, is nothing more than the unflinching assertion of Divine unity, viz., that there is only one God, one creator of the universe, and one deity worthy of worship to whom we shall all return. The word ‘islam’, derived the from the Arabic root verb s-l-m, has the double meaning of submission and peace: it is the attainment of peace by submitting one’s will to the will of God. Islam, just like the other religions of the world, has been sent to humanity through the Prophet Muhammad as a way of attaining salvation and leading a virtuous life. Classical Islamic civilization was based on the universal principles of justice, tolerance, and quest for knowledge. As the historical records show beyond doubt, the Islamic world was the leading force in sciences, philosophy, arts, social equilibrium, and cultural pluralism for more than a millennium until the end of the 18th century.

One can hardly overemphasize the fact that Islam considers itself to be the last and certainly not the first in the long of history of Divine revelations dispensed from Heaven. As repeated throughout the Qur’an, the sacred scripture of Muslims, the Prophet Muhammad brought the same message that had been revealed to Adam, Noah, Abraham, Moses and Jesus before him. This enables Islam to look at previous revelations including Judaism and Christianity as part and parcel and of the great chain of revelation. Accordingly, Islam recognizes Jews and Christians as the “People of the Book” (ahl al-kitab), namely as those religious communities to which a divine book has been sent and that are protected under the Islamic Law (Shari’ah). The names of Moses, Jesus Christ and Virgin Mary are repeated in the Qur’an and the traditions of the Prophet. Muslims revere all of these holy figures as they do their own Prophet. There is even a chapter in the Qur’an named after Mary who is considered to be the epitome of female spirituality and compassion in Islamic culture. This inclusivist attitude towards other religions explains to a large extent the peaceful co-existence and religious and economic freedoms that Jews and Christians were granted under the Muslim rule in Andalusia, the Ottoman world, and the eastern lands of Islam where there are still considerable Jewish and Orthodox Christian minorities. All of these theological and historical facts to which we can easily add more lead us to the legitimate concept of a Judeo-Christian-Islamic tradition.

The Imagined Islam of the West and the Question of Violence

This notion is of critical importance not only for philosophical and historical reasons but also for the urgencies of our current situation. The lack of knowledge on the part of many people in the West and especially in America about Islam, its beliefs and practices, its history, its religious and cultural diversity, and its present situation wind up reinforcing the dehumanization and stereotyping of Islam and Muslims on the one hand, and preempts the possibility of mutual understanding between the two sister civilizations, on the other. The fact is that there is as much stereotyping and monolithic thinking in the Muslim world about the West as there is in the West about the Muslim world, and we need to mobilize our moral and intellectual resources to resist and dispel the barriers of a veritable understanding between the two civilizations. Understanding and appreciating the homogeneity and diversity within the Islamic world will raise our frame of reference vis-à-vis the current situation to a higher level of analysis.

Take the example of the unfolding perceptions of Islam in the wake of the attacks. The September 11 attacks were terrorist acts of violence that cannot be justified within the confines of Islamic, or any, religion and law. All Muslim nations and institutions have condemned the attacks in the strongest terms possible. As the British Prime Minister Tony Blair put it, it was terrorism pure and simple, terrorism having no religion or race. Nevertheless, the fact that it was perpetrated by people with Arabic-Muslim names led many people to suspect a relation between terrorism and the religion of Islam. Some people even claimed that Islam itself begets violence. Given our familiarity, or rather lack thereof, with the Islamic tradition, such simplistic and sweeping generalizations are bound to surface every time we are faced with the challenge of understanding Islam and Muslims.

The fact of the matter is that there is as much diversity within the Islamic tradition as there is within Christianity or Hinduism. It is true that there is a small minority in the Muslim world that condones the use of violence against what it considers to be oppressive powers. This group, however, is as much representative of Islam as KKK or David Koresh is representative of Christianity. By the same token, Dr. Baruch Goldstein, a radical Orthodox Jew from New York, who entered the Khalil mosque in 1994 in the holy month of Ramadan and fired at worshippers killing more than 35 people, or the Jewish fundamentalists who assassinated the late Prime Minister Yitzak Rabin are as much representative of Judaism as Osama bin Laden and his likes are of Islam. Or take the example of Slobodan Milosevic and his massacre, rape and dislocation of over two hundred fifty thousand Bosnian Muslims in the name of Orthodox Christianity and Western civilization. Still more, take the example of IRA, the self-professed terrorist organization whose acts of violence are never classified as “Catholic terrorism” or terrorism bred by the Catholic faith. Should these examples, which can easily be multiplied to include Hindu and Sikh militants responsible for the killing of thousands of Muslims and their own people, justify such terms as “Christian terrorism”, “Jewish terrorism”, or “Orthodox terrorism”?

In the West, we know almost intuitively that such cases as mentioned above do not represent mainstream religious ideas and practices because we are infinitely more familiar with the Judeo-Christian tradition and can appreciate its diversity. In the case of Islam, the lack of knowledge forces us to consult the so-called public “experts” to explain to us what exactly the role of Islam is in the creation of such acts of violence. While it is clear that Muslims denounce such acts as terrorism pure and simple having no place in religion itself, it is our perceptions of Islam and Muslims that generate the imaginative link between Islam and violence.

“Why Do They Hate Us?”: Right Question, Wrong Answer

Having said that, we have to understand the root causes of the anti-American sentiment in the Islamic world. No matter how hard the American foreign policy makers try to downplay the reality and persistence of this sentiment in the Muslim world, this is something we have to confront if we are to find right answers to right questions. The easy way out is to put the blame on the Muslim world and believe that they hate us because of the values we stand for and the way of life we espouse, or even worse, to explain away the current predicament as fanaticism and fundamentalism entrenched in the backward beliefs and dogmas of Muslims. Such a simplistic explanation amounts to no more than self-gratification and self-complacency – the very attitude that is responsible for the anti-American sentiment in many parts of the world. It is time to realize that American foreign policy determines the meaning of “America” in the Muslim world and that Muslim nations see America through the glass of US policy decisions whose consequences for many have been simply devastating. Said differently, it is not so much America in and of itself but what America signifies in the Islamic world that is the source of a deep resentment towards the US in the Muslim world.

The stunning discrepancy between the rhetoric of democracy and human rights and the de facto real-politik of American foreign policy is one of the root-causes of the anti-American sentiment. All of the allies of the US in the Middle East from Saudi Arabia to Egypt are ruled either by monarchies or police states where there are no elections or political dissent. The unconditional American support for Israel that comes in the form of billions of dollars of annual economic aid and political support despite countless UN resolutions against Israeli aggressions, violations of human rights, and the continuous spread of settlements rejected most recently by the Mitchell report to no avail lead many people to question the genuineness of US attitude towards Arab and Muslim sensitivities on the issues of Palestine and Jerusalem. Thousands of people massacred in Chechenya and Kashmir do not make the evening news in the US but are remembered by millions of ordinary Muslims everyday they see the US President posing with his Russian and Indian counterparts. The death of half a million Iraqi children as a result of the failed policy of “dual containment” and sanctions on the one hand, and the support given to Saddam Husayn for over ten years against Iran on the other, reinforce the sense of suspicion against the sincerity and integrity of US foreign policy in the Middle East. Add to this the never-ending demonization of Muslims in Hollywood movies and we wind up generating a perpetual state of resentment, anger, and suspicion, radicalizing even non-religious people and pushing many to take extreme positions. This will, in turn, create further polarization and provide a golden opportunity for people like Osama bin Laden to propagate their perverted ideology.

Until and unless we address some of these truly hard issues in concrete terms, we shall fail to lay the foundations of a veritable dialogue and understanding between America and the Islamic world – the sine qua non of the prevention of such horrific acts as September 11.

*
Assistant Professor of Islamic Studies
College of the Holy Cross

Rabbi Nachman of Bratislav

The essence of peace is to connect two opposites.

If you see somebody whose opinion is the very opposite of yours, don't believe that it is impossible to be at peace with him.

Also, if you see two people (peoples) that are two opposites - don't say that it is impossible to make peace between them.

On the contrary, that is the essence of the completeness of peace - to make peace prevail between two opposites.

Muhammad's Sword

Uri Avnery

Gush Shalom 23-09-2006

Since the days when Roman Emperors threw Christians to the lions, the relations between the emperors and the heads of the church have undergone many changes.

Constantine the Great, who became Emperor in the year 306 - exactly 1700 years ago - encouraged the practice of Christianity in the empire, which included Palestine. Centuries later, the church split into an Eastern (Orthodox) and a Western (Catholic) part. In the West, the Bishop of Rome, who acquired the title of Pope, demanded that the Emperor accept his superiority.

The struggle between the Emperors and the Popes played a central role in European history and divided the peoples. It knew ups and downs. Some Emperors dismissed or expelled a Pope, some Popes dismissed or excommunicated an Emperor. One of the Emperors, Henry IV, "walked to Canossa", standing for three days barefoot in the snow in front of the Pope's castle, until the Pope deigned to annul his excommunication.

But there were times when Emperors and Popes lived in peace with each other. We are witnessing such a period today. Between the present Pope, Benedict XVI, and the present Emperor, George Bush II, there exists a wonderful harmony. Last week's speech by the Pope, which aroused a world-wide storm, went well with Bush's crusade against "Islamofascism", in the context of the "Clash of Civilizations".

IN HIS lecture at a German university, the 265th Pope described what he sees as a huge difference between Christianity and Islam: while Christianity is based on reason, Islam denies it. While Christians see the logic of God's actions, Muslims deny that there is any such logic in the actions of Allah.

As a Jewish atheist, I do not intend to enter the fray of this debate. It is much beyond my humble abilities to understand the logic of the Pope. But I cannot overlook one passage, which concerns me too, as an Israeli living near the fault-line of this "war of civilizations".

In order to prove the lack of reason in Islam, the Pope asserts that the prophet Muhammad ordered his followers to spread their religion by the sword. According to the Pope, that is unreasonable, because faith is born of the soul, not of the body. How can the sword influence the soul?

To support his case, the Pope quoted - of all people - a Byzantine Emperor, who belonged, of course, to the competing Eastern Church. At the end of the 14th century, the Emperor Manuel II Palaeologus told of a debate he had - or so he said (its occurrence is in doubt) - with an unnamed Persian Muslim scholar. In the heat of the argument, the Emperor (according to himself) flung the following words at his adversary:

"Show me just what Mohammed brought that was new, and there you will find things only evil and inhuman, such as his command to spread by the sword the faith he preached".

These words give rise to three questions: (a) Why did the Emperor say them? (b) Are they true? (c) Why did the present Pope quote them?

WHEN MANUEL II wrote his treatise, he was the head of a dying empire. He assumed power in 1391, when only a few provinces of the once illustrious empire remained. These, too, were already under Turkish threat.

At that point in time, the Ottoman Turks had reached the banks of the Danube. They had conquered Bulgaria and the north of Greece, and had twice defeated relieving armies sent by Europe to save the Eastern Empire. On May 29, 1453, only a few years after Manuel's death, his capital, Constantinople (the present Istanbul) fell to the Turks, putting an end to the Empire that had lasted for more than a thousand years.

During his reign, Manuel made the rounds of the capitals of Europe in an attempt to drum up support. He promised to reunite the church. There is no doubt that he wrote his religious treatise in order to incite the Christian countries against the Turks and convince them to start a new crusade. The aim was practical, theology was serving politics.

In this sense, the quote serves exactly the requirements of the present Emperor, George Bush II. He, too, wants to unite the Christian world against the mainly Muslim "Axis of Evil". Moreover, the Turks are again knocking on the doors of Europe, this time peacefully. It is well known that the Pope supports the forces that object to the entry of Turkey into the European Union.

IS THERE any truth in Manuel's argument?

The pope himself threw in a word of caution. As a serious and renowned theologian, he could not afford to falsify written texts. Therefore, he admitted that the Qur'an specifically forbade the spreading of the faith by force. He quoted the second Sura, verse 256 (strangely fallible, for a pope, he meant verse 257) which says: "There must be no coercion in matters of faith".

How can one ignore such an unequivocal statement? The Pope simply argues that this commandment was laid down by the prophet when he was at the beginning of his career, still weak and powerless, but that later on he ordered the use of the sword in the service of the faith. Such an order does not exist in the Qur'an. True, Muhammad called for the use of the sword in his war against opposing tribes - Christian, Jewish and others - in Arabia, when he was building his state. But that was a political act, not a religious one; basically a fight for territory, not for the spreading of the faith.

Jesus said: "You will recognize them by their fruits." The treatment of other religions by Islam must be judged by a simple test: How did the Muslim rulers behave for more than a thousand years, when they had the power to "spread the faith by the sword"?

Well, they just did not.

For many centuries, the Muslims ruled Greece. Did the Greeks become Muslims? Did anyone even try to Islamize them? On the contrary, Christian Greeks held the highest positions in the Ottoman administration. The Bulgarians, Serbs, Romanians, Hungarians and other European nations lived at one time or another under Ottoman rule and clung to their Christian faith. Nobody compelled them to become Muslims and all of them remained devoutly Christian.

True, the Albanians did convert to Islam, and so did the Bosniaks. But nobody argues that they did this under duress. They adopted Islam in order to become favorites of the government and enjoy the fruits.

In 1099, the Crusaders conquered Jerusalem and massacred its Muslim and Jewish inhabitants indiscriminately, in the name of the gentle Jesus. At that time, 400 years into the occupation of Palestine by the Muslims, Christians were still the majority in the country. Throughout this long period, no effort was made to impose Islam on them. Only after the expulsion of the Crusaders from the country, did the majority of the inhabitants start to adopt the Arabic language and the Muslim faith - and they were the forefathers of most of today's Palestinians.

THERE IS no evidence whatsoever of any attempt to impose Islam on the Jews. As is well known, under Muslim rule the Jews of Spain enjoyed a bloom the like of which the Jews did not enjoy anywhere else until almost our time. Poets like Yehuda Halevy wrote in Arabic, as did the great Maimonides. In Muslim Spain, Jews were ministers, poets, scientists. In Muslim Toledo, Christian, Jewish and Muslim scholars worked together and translated the ancient Greek philosophical and scientific texts. That was, indeed, the Golden Age. How would this have been possible, had the Prophet decreed the "spreading of the faith by the sword"?

What happened afterwards is even more telling. When the Catholics re-conquered Spain from the Muslims, they instituted a reign of religious terror. The Jews and the Muslims were presented with a cruel choice: to become Christians, to be massacred or to leave. And where did the hundreds of thousand of Jews, who refused to abandon their faith, escape? Almost all of them were received with open arms in the Muslim countries. The Sephardi ("Spanish") Jews settled all over the Muslim world, from Morocco in the west to Iraq in the east, from Bulgaria (then part of the Ottoman Empire) in the north to Sudan in the south. Nowhere were they persecuted. They knew nothing like the tortures of the Inquisition, the flames of the auto-da-fe, the pogroms, the terrible mass-expulsions that took place in almost all Christian countries, up to the Holocaust.

WHY? Because Islam expressly prohibited any persecution of the "peoples of the book". In Islamic society, a special place was reserved for Jews and Christians. They did not enjoy completely equal rights, but almost. They had to pay a special poll-tax, but were exempted from military service - a trade-off that was quite welcome to many Jews. It has been said that Muslim rulers frowned upon any attempt to convert Jews to Islam even by gentle persuasion - because it entailed the loss of taxes.

Every honest Jew who knows the history of his people cannot but feel a deep sense of gratitude to Islam, which has protected the Jews for fifty generations, while the Christian world persecuted the Jews and tried many times "by the sword" to get them to abandon their faith.

THE STORY about "spreading the faith by the sword" is an evil legend, one of the myths that grew up in Europe during the great wars against the Muslims - the reconquista of Spain by the Christians, the Crusades and the repulsion of the Turks, who almost conquered Vienna. I suspect that the German Pope, too, honestly believes in these fables. That means that the leader of the Catholic world, who is a Christian theologian in his own right, did not make the effort to study the history of other religions.

Why did he utter these words in public? And why now?

There is no escape from viewing them against the background of the new Crusade of Bush and his evangelist supporters, with his slogans of "Islamofascism" and the "Global War on Terrorism" - when "terrorism" has become a synonym for Muslims. For Bush's handlers, this is a cynical attempt to justify the domination of the world's oil resources. Not for the first time in history, a religious robe is spread to cover the nakedness of economic interests; not for the first time, a robbers' expedition becomes a Crusade.

The speech of the Pope blends into this effort. Who can foretell the dire consequences?

Papa yanılıyor, Hıristiyan ve Yahudiler İslam’a minnettar

Uri Avnery

Halkın tarihini bilen tüm dürüst Yahudiler, İslam 50 kuşağı korurken, kılıçla dinlerini değiştirmeleri için Yahudileri katleden Hıristiyan dünyası karşısında İslam’a yönelik derin bir minnettarlık hisseder.
Roma imparatorlarının Hıristiyanları aslanlara attığı günlerden bu yana, imparatorlar ve Kilise’nin tepesindekiler arasındaki ilişkiler çok değişti. 1700 yıl önce imparator olan Constantine, Filistin de dahil imparatorluğu içinde Hıristiyanlığın uygulanmasını teşvik etti.
Yüzyıllar sonra, Kilise doğu ve batı olarak ikiye bölündü. Batıda, sonraları Papa’ya intisap eden Roma Piskoposu, imparatordan kendi üstünlüğünü kabul etmesini istedi. İmparatorlar ve papalar arasındaki mücadele Avrupa tarihinde çok önemli bir rol oynadı ve halkları böldü. Bazı imparatorlar, bazı papaları sürgün etti, kovdu ya da bazı papalar imparatorları kovdu. Ancak, imparatorlar ve papaların barış içinde yaşadıkları zamanlar da oldu. Bugün, böylesi bir döneme şahitlik ediyoruz. Mevcut Papa ile halihazırdaki imparator George Bush II, mükemmel bir uyum içinde. Papa’nın geçen haftaki konuşması dünya çapında fırtınalar kopardı ve Medeniyetler Çatışması kapsamında Bush’un “İslamofaşistlere” karşı savaşı ile iyi uyum sağladı. Papa, konuşmasında, Hıristiyanlığın akla dayandığını savunurken, İslam’ın bunu reddettiğini söyledi. Ben, Yahudi bir ateist olarak, bu tartışmaya girmeye niyetli değilim. Çünkü mevzu, Papa’nın mantığını anlamamı zorlaştırıyor. Ancak, “medeniyetler savaşının” kenarında yaşayan bir İsrailli olarak beni kaygılandıran bir hususa değinmeden geçemeyeceğim. Papa, İslam’ın mantıktan yoksun olduğunu kanıtlamak için, Peygamber Muhammed’in takipçilerine dini kılıçla yayma emri verdiğini iddia etti. Papa’ya göre bu durum mantık dışı çünkü inanç vücuttan değil ruhtan doğar. Peki, kılıç ruhu nasıl etkiler? Papa, bu tezini güçlendirmek için eski Bizans imparatorundan alıntılar yaptı. Ancak onun bu sözleri üç soruyu beraberinde getiriyor. a) İmparator bu sözleri neden söyledi? b) Gerçekler mi? c) Şimdiki Papa bu sözleri neden alıntılıyor?
Öncelikle, imparator o dönemde Osmanlı Türklerinin tehdidi altında idi. Osmanlılar Tuna’ya kadar gelip dayanmıştı. Birkaç yıl sonra da zaten imparatorluğun başkenti İstanbul Türklerin eline geçti ve imparatorluğa nokta koydu. O dönemde, Manuel (Bizans imparatoru) Avrupa’nın desteği için propaganda yaptı. Kilise’yi yeniden birleştirme sözü verdi. Hıristiyan ülkeleri Türklere karşı kışkırtmak ve Haçlı seferleri başlatmak için bu sözleri sarf etti. Yani din siyasete alet edildi. Bu açıdan, mevcut imparator George Bush II de, Müslüman dünyasına karşı Kilise’yi birleştirmek istiyor. Dahası, Türkler bu kez barışçıl bir biçimde Avrupa’nın kapısını çalıyor. Çok iyi biliniyor ki, Papa Türklerin üyeliğine karşı çıkıyor.
Müslümanlar hep hoşgörülüydü...
Ciddi ve ünlü bir teolog olarak, Papa yazılı metinleri yalanlayamaz. Bu nedenle, Kur’an’ın inancın zorla yayılmasını özellikle yasakladığını kabul ediyor olmalıdır. Papa’nın Kur’an’dan alıntıladığı “dinde zorlama yoktur” ayeti, o kadar dolambaçsız ki, birisi çıkıp da bunu nasıl görmezden gelebilir? Papa, açık bir biçimde bu emrin onun peygamberlik yıllarının ilk döneminde geldiğini; ancak onun sonraları inanç yolunda kılıcın kullanılması emri verdiğini iddia ediyor. Ancak, Kur’an’da böylesi bir emir vaki değil. Muhammed’in, kendisine karşı çıkan kabilelere (Hıristiyan, Yahudi ve diğer Arap kabileleri) karşı kılıç kullanma emri verdiği doğru; ancak bu dinî değil politik bir hareketti ve inancın yayılması değil toprak elde etme amacına dayanıyordu. İsa şöyle demişti: “Siz onları meyvelerinden tanırsınız.” Eğer Müslümanlar, “inancı kılıçla yayıyor idiyseler”, nasıl oldu da bin yıldan fazla gücü ellerinde tuttular? Çünkü, inancı kılıçla yaymadılar.
Müslümanlar, yüzyıllar boyunca Yunanistan’ı yönettiler. Rumlar Müslüman mı oldu? Kimse onları İslamlaştırmaya mı çalıştı? Aksine, Hıristiyan Rumlar Osmanlı yönetiminde en yüksek konumlara getirildiler. Bulgarlar, Sırplar, Romanyalılar, Macarlar ve diğer Avrupalı uluslar Osmanlı yönetimi altında Hıristiyan inancına bağlı yaşadılar. Kimse, onları Müslüman olmaya zorlamadı, aksine onlar samimi Hıristiyan olarak kaldılar. Arnavutlar İslam’a geçti, tıpkı Boşnaklar gibi. Ancak kimse onların zorla Müslümanlaştırıldıklarını iddia edemez. 1099 yılında, Haçlılar, İsa adına Kudüs’ü işgal etti ve Müslümanları, Yahudileri ayrım gözetmeksizin katletti. Ancak, Filistin’in 400 yıl boyunca Müslümanlar tarafından yönetimi sırasında, Hıristiyanlar hâlâ ülkenin çoğunluğunu oluşturuyordu. Bu uzun dönem boyunca kimse onları İslam’a geçmeye zorlamadı. Haçlıların ülkeden ayrılması sonrasında, yerleşimcilerin çoğu Arap dilini ve Müslüman inancını seçti ve bugün onlar mevcut Filistinlilerin ataları. Ek olarak, İslam’ı Yahudilere empoze etme gibi bir çabanın da kanıtı hiç olmadı. Çok iyi biliniyor ki, İspanya’daki Müslüman yönetimi altında Yahudiler, neredeyse günümüze kadar yaşadıkları en güzel ve rahat dönemlerini yaşadı. Arapça yazan Yehuda Halevy gibi şairler harika eserler bıraktı. Müslüman İspanya’da Yahudiler bakan, şair ve bilim adamı oldu. Müslüman Toledo’da Hıristiyan, Yahudi ve Müslüman akademisyenler birlikte çalıştı ve eski Yunan filozoflarının eserlerini çevirdi. Aslında bu ‘Altın Çağ’ idi. Peki bu nasıl mümkün oldu? Peygamber Muhammed’in “dini kılıçla yaymasıyla” mı?
Ancak esas bundan sonra yaşananları söylemek lazım. Katoliklerin İspanya’yı yeniden feth etmesi ile, tam bir dinci terör havası estirdiler. Yahudiler ve Müslümanlar hain bir seçimle baş başa bırakıldılar: Ya Hıristiyan olmak, ya katledilmek ya da terk etmek. Ve, inancını değiştirmeyi reddeden yüz binlerce Yahudi nereye kaçtı dersiniz? Neredeyse tümü Müslüman ülkelerin kollarını açmaları ile kurtuldu. İspanya Yahudileri Müslüman ülkelere yerleşti, Fas’tan, Irak’a ve o dönem Osmanlı’nın bir parçası olan Bulgaristan’a, Sudan’a kabul edildiler. Hiçbir yerde zulüm görmediler. Holokost’a kadar tüm Hıristiyan ülkelerde var olan engizisyon, katliam ve kitle ölümlerini tatmadılar. NEDEN? Çünkü İslam “insanların kitabına” zulmetmeyi yasaklamıştı. İslam toplumunda, Yahudi ve Hıristiyanlar için özel bir yer bulunmaktadır. Tam eşit olmasalar da buna yakındılar. Ekstra vergi ödüyorlardı; ancak askerlik hizmetinden de muaftılar. Halkın tarihini bilen tüm dürüst Yahudiler, İslam 50 kuşağı korurken, kılıçla dinlerini değiştirmeleri için Yahudileri katleden Hıristiyan dünyası karşısında İslam’a yönelik derin bir minnettarlık hisseder.
(25 Eylül 2006, Gush Shalom)

İslamlaşmak, İslam Dünyası Neden Geri Kaldı

Said Halim Paşa kitabında bu konu üzerinde çok durmayarak bir Müslüman bakış açısıyla durumu ortaya koymuştur. Genel kanaat dinin bir milletin ilerlemesini kesinlikle engelleyecek konumda olmadığıdır. Din insanı ve davranışlarını elbet belirler ancak ilerlemeden ve o iştiyaktan tam nasibini alamamış insanların geri kalmalarını İslam'da değil kendilerinde aramaları gerekmektedir. Her Müslüman ülkede durumun aynı olmaması aynı milletlerden olmayan insanların dini algılayışlarındaki farklar ilerlemede din faktörünün değil insan faktörünün önde olduğunu göstermektedir.

Peki Paşa'ya göre ülke ve Müslümanların kurtuluşu nedir? Paşa bu soruya "Kurtuluş İslam'dadır" veya "Tüm Yollar Mekke'ye Çıkar!" diyerek cevap vermektedir.
Paşa'nın İslamlaşmak tanımı ise şu şekildedir:
"Bizim için 'İslamlaşmak' demek İslamiyet'in inanç, ahlâk, yaşayış ve siyâsete ait esaslarının tam olarak tatbik edilmesi demektir. Bu uygulama, o esasların, her vakitte, zaman ve muhitin, ihtiyaçlarına en uygun şekilde tefsir edilmesinden sonra yapılacaktır."


"İslamlaşmak""İslam Dünyası Neden Geri Kaldı"
Said Halim Paşa

Dinde İletişim Dili

İletişim mekânı Tâif. Hedef kitle Tâifliler. Bir fert Tâifliler’le iletişim kurmak istiyor. İletişimin en uygar aracı olan “söz”le onlara sesleniyor. Onlar bu sözü dinlemiyorlar, fakat O söz söylemeye devam ediyor. Onlar yine dinlemiyorlar. O, yine söz söylüyor. Bu defa Tâifliler taş alıyorlar ellerine ve “söz”e karşı taş fırlatıyorlar, fakat O yine “söz” söylüyor. Onlar taş attıkça, O, söz söylemeye devam ediyor. Taşa karşı söz söyleyen sesini yükselterek: “Rabbim! Islah et onları! Onlar benim kim olduğumu bilmiyorlar. Bilseler böyle yapmazlar. Bağışla onları!” diyor. İletişimin en sihirli aracı olan “söz”den hiç vazgeçmiyor. Çünkü o, insanlarla iletişim kurmak istiyor, bunun için sabrediyor. Sonunda “sözlü iletişim” taşları eritiyor. “Taşla iletişim” olmayacağını anlayanlar, “söz”e kulak konuğu oluyorlar. Böylece sözlü iletişim onları “insanlığa” yükseltiyor. İletişim sayesinde taşlar tutsaklaşıyor, “insan” ortaya çıkıyor, ve “iletişim ortamı” oluşuyor

Isa Kayaalp, Dinde İletişim Dili, İstanbul 2004

donderdag, september 14, 2006

What is Progressive Islam?

Par Omid Safi
mis en ligne le Tuesday 29 March 2005

The various understandings of Islam which fall under the rubric of ‘progressive’ are both continuations of, and radical departures from, the hundred and fifty year old tradition of liberal Islam. (1) Liberal advocates of Islam generally display an uncritical, almost devotional identification with modernity, and often (but do not always) by-pass discussions of colonialism and imperialism. Progressive advocates of Islam, on the other hand, are almost uniformly critical of colonialism, both of its nineteenth century manifestation and its current variety. Progressive Muslims espouse a critical and non-apologetic ‘multiple critique’ with respect to both Islam and modernity. They are undoubtedly postmodern in the sense of their critical approach to modernity. That double engagement with the varieties of Islam and modernity, plus an emphasis on concrete social action and transformation, is the defining characteristic of progressive Islam today.

Progressive Islam encompasses a number of themes: striving to realize a just and pluralistic society through a critical engagement with Islam, a relentless pursuit of social justice, an emphasis on gender equality as a foundation of human rights, and a vision of religious and ethnic pluralism.

Muslim libera(c)tion:

Progressive Muslims perceive themselves as the advocates of human beings all over the world who, through no fault of their own, live in situations of perpetual poverty, pollution, oppression, and marginalization. Their task is to give voice to the voiceless, power to the powerless, and confront the ‘powers that be’ who disregard the God-given human dignity of the m u st a d ’ a f u n all over this Earth. Muslim progressives draw on the strong tradition of social justice from within Islam from sources as diverse as the Qur’an and h a d i t h to more recent authorities and spokespersons such as Shari’ati. Their methodological fluidity is apparent in their pluralistic epistemology, which freely and openly draws from sources outside of Islamic tradition which can serve as useful tools in the global pursuit of justice. These external sources include the liberation theology of Leonardo Boff, Gustavo Guti.rrez, and Rebecca S. Chopp, as well as the secular humanism of Edward Said, Noam Chomsky, etc. Progressive Muslims are likely to combine a Qur’anic call for serving as ‘witnesses for God in justice’ (Qur’an 42:15), with an Edward Said-ian call to ‘speak truth to the powers.’

The question, asked by Peter Mandaville,(2) whether progressive Muslims reflect or initiate larger social processes of transformations, is a non-starter as it is premised on an initial dichotomy between intellectual pursuit and activism that progressives do not accept. Whereas many (though not all) of the previous generations of ‘liberal’ Muslims were at times defined by a purely academic approach that reflected their elite status, progressive Muslims fully realize that the social injustices around them are reflected in, connected to, and justified in terms of intellectual discourses. They are, in this respect, fully indebted to the majestic criticism of Edward Said. Progressive Muslims are concerned not simply with laying out a fantastic, beatific vision of social justice andpeace, but also with transforming hearts and societies alike. A progressive commitment implies by necessity the willingness to remain engaged with the issues of social justice as they unfold on the ground level, in the lived realities of Muslim and non-Muslim communities.

Progressive Muslims follow squarely in the footsteps of liberation theologians such as Leonardo Boff, who deemed a purely conceptual criticism of theology, devoid of any real commitment to the oppressed, as ‘radically irrelevant.’(3) Boff recognized that libera.o ( liberation ) links the concepts l i b e r (free) and a  . o ( action ) :(4) There is no liberation without action. In drawing on both Boff as well as Rebecca Chopp, I have before stated that: ‘Vision and activism are both necessary. Activism without vision is doomed from the start. Vision without activism quickly becomes irrelevant.’(5) This informed social activism is visible in many progressive Muslim organizations and movements ranging from the work of Chandra Muzaffar with the International Movement for a Just World in Malaysia,(6) t h e efforts of Farid Esack with HIV-positive Muslims in South Africa,(7) to the work of the recent Nobel Peace Prize Winner, Shirin Ebadi (8) with groups such as the Iranian Children’s Rights Society.(9) It is thus not the case that only certain ‘superstars ‘ among progressive Muslims occupy themselves with activist approaches. One only need spend some time talking with the many individuals who are active in the various progressive Muslim organizations to witness the astonishing array of peace and social justice movements, grassroots organizations, human rights efforts, etc., that they are involved in.

Progressive Islam as an Islamic humanism

At the heart of a progressive Muslim interpretation is a simple yet radical idea: every human individual, female or male, Muslim or non-Muslim, rich or poor, northerner or southerner, has exactly the same intrinsic worth. The essential value of human life is God-given, and is in no way connected to culture, geography, or privilege. A progressive Muslim is one who is committed to the strangely controversial idea that the true measure of a human being’s worth is a person’s character, and not the oil under their soil or their particular flag. A progressive Muslim agenda is concerned with the ramifications of the premise that all members of the human race have this same intrinsic worth because each of us has the breath of God breathed into our being: wa nafakhtu fihi minruhi . (Qur’an 15:29 and 38:72). This identification with the full humanity of all human beings amounts to nothing short of an Islamic Humanism.

An increasing number of those who advocate such a humanistic framework within the context of Islam have self-labelled themselves progressive Muslims. ‘Progressive’ refers to a relentless striving towards a universal notion of justice in which no single community’s prosperity, righteousness, and dignity come at the expense of another ‘s. Adherents of progressive Islam conceive of a way of being Muslim that engages and affirms the humanity of all human beings, that actively holds all of us responsible for a fair and just distribution of our God-given natural resources, and that seeks to live in harmony with the natural world.

Engaging tradition

Progressive Muslims insist on a serious engagement with the full spectrum of Islamic thought and practices. There can be no progressive Muslim movement that does not engage the very ‘stuff’ (textual and material sources) of the Islamic tradition, even if some wish to debate what ‘stuff’ this should be and how it ought to be interpreted. Progressives generally maintain that it is imperative to work through the inherited traditions of thought and practice. In particular cases, they might conclude that certain pre-existing interpretations fail to offer us sufficient guidance today. However, they can only faithfully claim that position after -and not before- serious engagement with the tradition. To move beyond problematic past and present interpretations of Islam, progressive Muslims have to pass critically through them and experience them first-hand.

Justice lies at the heart of Islamic social ethics. Time and again the Qur’an talks about providing for the marginalized members of society: the poor, the orphaned, the downtrodden, the wayfaring, the hungry, etc. Progressive Muslims believe that it is time to ‘translate’ the social ideals in the Qur’an and Islamic teachings into a way of action that those committed to social justice today can relate to and understand. For all Muslims, there is the vibrant memory of the Prophet repeatedly talking about a real believer as one whose neighbour does not go to bed hungry. Progressives hold that in today’s global village it is time to consider all of humanity as our neighbor. The time has come for Muslims who wish to be true believers to be responsible for the well-being and dignity of all human beings.

Progressive Muslims begin with a simple yet radical stance: that the Muslim community as a whole cannot achieve justice unless justice is guaranteed for Muslim women. In short, there can be no progressive interpretation of Islam without gender justice. Gender justice is crucial, indispensable, and essential. In the long run, any progressive Muslim interpretation will be judged based on the amount of change in gender equality it is able to produce in small and large communities. Gender equality is a measuring stick for the broader concerns of social justice and pluralism. As Shirin Ebadi has stated, it is imperative to conceive of women’s rights as human rights. Progressive Muslims strive for pluralism both inside and outside of the umma. They seek to open up a wider spectrum of interpretations and practices considered Muslim, and epistemologically follow a pluralistic approach to the pursuit of knowledge and truth. In their interactions with other religious and ethnic communities, they seek to transcend the arcane notions of ‘tolerance’, and instead strive for a profound engagement through both existing commonalities and differences.

Is this an ‘Islamic Reformation’?

Progressive Muslims are often asked whether their project constitutes an ‘Islamic reformation.’ The answer is both yes and no. It is undeniably true that there are serious economic, social, and political issues in the Muslim world that need urgent remedying. Much of the Muslim world is bound to a deeply disturbing economic structure in which it provides natural resources for the global market, while at the same time remaining dependent on Western labour, technological know-how, and staple goods. This deplorable economic situation is exacerbated in many parts of the modern Muslim world by atrocious human rights situations, crumbling educational systems, and worn-out economies. Most progressive Muslims would readily support the reform of all those institutions. However, the term ‘reformation’ carries considerably more baggage than that. In speaking of the ‘Islamic reformation ‘, many people have in mind the Protestant Reformation. It is this understanding that leaves many progressive Muslims feeling uneasy, for theirs is not a project of developing a ‘Protestant’ Islam distinct from a ‘Catholic’ Islam. Most insist that they are not looking to create a further split within the Muslim community so much as to heal this split and to urge it along.

A global phenomenon or an American Islam?

It would be a clear mistake to somehow reduce the emergence of progressive Islam to being a new ‘American Islam.’ Progressive Muslims are found everywhere in the global Muslim umma. When it comes to actually implementing a progressive understanding of Islam in Muslim communities, particular communities in Iran, Malaysia, and South Africa are leading, not following, the United States. Many American Muslim communities-and much of the leadership represented by groups such as the Islamic Circle of North America,1 0the Islamic Society of North America,(11) and the Council on American-Islamic Relations1 2- are far too uncritical of Salafi and Wahhabi tendencies that progressives oppose. Lastly, almost all progressive Muslims are profoundly skeptical of nationalism, whether American, Arab, Iranian, or otherwise. As such, they instinctively and deliberately reject the appropriation of this fluid global movement by those who espouse it in order to transform it into an ‘American Islam’ commodity to be exported all over the world. The progressives’ firm critique of neo-colonialism is also a way to avoid their appropriation by the United States’ administration, which has used the language of reforming Islam to justify its invasion of Muslim countries such as Iraq.

Progressive Muslim Networks

Perhaps the most exciting part of the new emerging global Muslim progressive identity is that progressives everywhere are seeking one another out, reading each other’s work, collaborating with one another ‘s organizations. This is a fruitful process of cross-pollination. One can point to the impact that Shari’ati has had on South African Muslims, or the impact the Palestinian struggle has had on South East Asian progressives. Much of this contact is taking place via e-mail. We are clearly in the initial stages of this formulation, and it is an exciting process which has the promise of ushering in a real paradigm shift in the relationship of Muslims to both Islam and modernity.

N o t e s

1 . See Charles Kurzman, Liberal Islam: A Source book, (New York: Oxford University Press, 1998).

2 . See ISIM Newsletter 12 (June 2003), p .2 4 - 2 5

3 . Leonardo Boff and Clodovis Boff, Introducing Liberation Theology, (1987; reprint, Mary Knoll, NY: Orbis Books, 2001),

p .9.

4 . Boff, p.1 0 .

5 . Omid Safi, ‘The Times They are a-Changin’: A Muslim Quest for Justice, Gender Equality, and Pluralism’, in Progressive Muslims: On Justice, Gender, and Pluralism, edited by Omid Safi (Oxford: O n e w o r l d Publications, 2003), p. 6-7.

6 . http://www.just-international.org

7 . http://www.positivemuslims.org.za, see also ISIM Newsletter 12 (June 2003), p.40-41

8 . http://www.muslimwakeup.com mainarchive/000242.php

9 . http://www.iranianchildren.org/index.html

10 . http://www.icna.com

11 . http://www.isna.net

12 . http://www.cair-net.org

Omid Safi is an assistant professor of Islamic Studies at Colgate University, in Hamilton, NY. He is the co-chair for the Study of Islam Section at the American Academy of Religion and the editor of the volume Progressive Muslims: On Justice, Gender, and Pluralism (Oxford: Oneworld Publications, 2003). This essay is humbly dedicated to Edward Said’s challenge t o all of us.

E-mail:omidsafi@hotmail.com

Source: ISIM NEWS LETTER 13 / DECEMBER 2003

Jihad is a global fad

Jessica Stern The Boston Globe TUESDAY, AUGUST 1, 2006

The images coming out of Qana, Lebanon - where dozens of women and children were crushed in an Israeli raid during the weekend - are heart-shattering. Exposed to those images, many of us have difficulty getting back to our workaday lives. We look at our own children with new awe and realize how lucky they - and we - are.

Nonetheless, we are plagued by new fears. This summer we are learning, yet again, a lesson that human beings seem doomed perpetually to forget: Violence, once unleashed, seems to create its own evil momentum. Those who attack others, even in self-defense, must be prepared for the collateral damage that inevitably ensues. That damage is measured, not just in childrens' lives, but also in damaged souls, on all sides of the conflict. But today, we must calculate a new form of collateral damage, which is the way that cynical terrorists capitalize on military mistakes. And whatever we learn about what really happened at Qana or at Haditha or at Abu Ghraib, there is little doubt that the terrorists will benefit.

Terrorists often start out as "true believers" who are seduced and sometimes victimized by a bad idea. The images coming out of Qana are a gift to the terrorists who aim to spread the false idea that the West is deliberately aiming to destroy the Islamic world, deliberately striving to harm and humiliate Muslims.

The only way to understand how this phenomenon works is to hang out with Muslim youths and talk to them. I have done quite a bit of that in various parts of the world in Western cities, in Palestinian slums, and in Pakistani madrasas. And what I've learned is this: Jihad has become a global fad, rather like gangsta rap. It is a fad that feeds on images of dead children.

Most of the youth attracted to the jihadi idea would never become terrorists, just as few of the youths who listen to gangsta rap would commit the kinds of lurid crimes the lyrics would seem to promote. But among many Muslim youths, especially in Europe, jihad is a cool way of expressing dissatisfaction with a power elite whether that elite is real or imagined; whether power is held by totalitarian monarchs or by liberal parliamentarians. And we should not assume jihad is a Middle Eastern or European problem. The idea is spreading here in America as well.

Jihad has become a millenarian movement with mass appeal, similar, in many ways, to earlier global movements such as the anarchists of the 19th century or even the peace movement of the 1960s and '70s. But today's radical youth are expressing their dissatisfaction with the status quo by making war, not love. They are seduced by Thanatos rather than Eros. Newly-wed pro-jihadi youths spend their wedding nights watching today's ghoulish pornography: the beheadings of foreigners held hostage in Iraq. Children film themselves reenacting these beheadings, seduced by a familiar drama of the good guys killing the bad guys in order to save the world.

There is an appeal to an identity of victimhood: If I am a victim of someone else's bad actions, I have an excuse for not meeting expectations - my own or others'. There is an appeal to righteous indignation. There is an appeal to avenging wrongs visited on the weak by the strong. The narrative will be more seductive if moral questions seem to have easy answers, if good and evil can be easily distinguished, if perpetrators and victims stand out in stark relief, and if they never trade places, as they often do in the real world.

And the West sometimes plays right into the hands of terrorist ideologues, whose success depends not only on the appeal of the narrative they weave, but also their ability to illustrate it with facts, or at least pictures that appear to be facts. Iraq, alas, is producing many of the pictures the terrorists need. Qana is an added boon.

To win this war, Americans need to understand that we are fighting an idea, not a state. Military action minimally visible and carefully planned and implemented may be necessary to win today's battles. But the tools required in the long run to win the war are neither bombs nor torture chambers. They are ideas and stories that counter the terrorist narrative - and draw potential recruits away from the lure of jihad.

Jessica Stern, a lecturer on terrorism at Harvard University, is author of "Terror in the Name of God: Why Religious Militants Kill." This article first appeared in The Boston Globe

zaterdag, mei 20, 2006

Keulen Locuta, Causa Finita

Het verhaal is al vaker verteld. Hoe ik, als nationalistisch geïndoctrineerde Turk, naar Nederland kwam. Hoe ik daar mijn Koerdische wortels leerde kennen. En hoe ik mocht ruiken aan de vrijheid van dit land.


In Nederland heb ik leren beseffen dat een democratie de perfecte omgeving is, om in de praktijk te brengen wat mijn moeder mij bijgebracht heeft: wie zegt Allah te respecteren, zonder zijn medemens te respecteren, is een leugenaar. De grootheid van Zijn Schepping te herkennen in mijn medemens en in mijn dagelijks leven: dat is mij meer waard dan welke superioriteitsaanspraken van een geloofsstroming, de mijne incluis, ook.

Afkomstig van het platteland van Centraal-Anatolie, had ik me in Nederland voorgenomen om zo snel mogelijk te integreren en een maatschappelijke carrière op te bouwen. Dat ging via schoonmaakwerk, veel taallessen en de opbouw van netwerken. Later kwamen de banen waar ik mijn talenten in kwijt kon.


Halverwege de negentiger jaren van de vorige eeuw. Ik zie mezelf nog zitten in dat Volkswagenbusje. ‘Geef de integratie ruimte.’ En: ‘Buurtbewoners? Wij zijn buurtbewoners’. De man die de leuzen door de luidspreker riep was ik. ‘Tekbirrrr?’. Daarop hoorde je enkele duizenden mannen en vrouwen roepen: ‘Allah-u Akbar’, ‘Allah is groot’. Dat waren de dagen van ongelooflijke saamhorigheid. Iedereen had maar een doel: onze plannen realiseren op het Riva-terrein in Amsterdam. Het ging om een oude Opelgarage, waarin Milli Görüs de AyaSofya moskee had gesticht en waarover tien jaar lang gestreden is tussen een aanvankelijk ongeëmancipeerde in zichzelf gekeerde Turkse gastarbeidersclub en een sterk afhoudende overheid.


Op dit terrein staat over een paar jaar het complex van de Westermoskee. De moslimorganisatie die de moskee aan het bouwen is, weet zich onderdeel van de hoofdstroom van de Nederlandse samenleving. Met dezelfde overheid waarmee toen strijd gevoerd werd, is er nu een reeks van samenwerkingsverbanden opgezet. Allemaal bedoeld om emancipatie en participatie te bevorderen en om de sociale cohesie in de buurt te versterken.

In de context van het conflict rond het Riva-terrein kwam ik bij Milli Görüs terecht. Men vroeg me om hen bij te staan in de strijd. Ik ben een gelovige moslim. Maar ik had intussen elke vorm van nationalisme van me afgeschud. Ik kon het niet uitstaan als Turken zich opsloten in een eng soort nationalisme, terwijl ze het bestaan van Koerden ontkenden. Of nog erger.

In dit opzicht was Milli Görüs voor mij een warm bad. Daar telden het geloof en de zorg voor elkaar, maar niet de afkomst. Ik heb de vraag om ze te helpen dus positief beantwoord. Zo ben ik min of meer toevallig de woordvoerder geworden van Milli Görüs in Amsterdam-West. Met de steun van het bestuur, uiteraard.

In die dagen was er geen ruimte voor meningverschillen. We wilden onze moskee op het Riva-terrein behouden, that was it. Het conflict met het Stadsdeel De Baarsjes, dat van mening was dat het bestemmingsplan voor het terrein geen vestiging van een moskee toestond, escaleerde. Zozeer zelfs dat de stadsdeelvoorzitter en de politiecommandant tegenover elkaar kwamen te staan, omdat de laatste weigerde een ontruiming van het terrein tijdens de ramadan uit te voeren.

Maar tegelijk gebeurde er nog iets anders. Tijdens een grote demonstratie van de Milli Görüs-aanhang in de binnenstad van Amsterdam, met een gemeenschappelijk gebed op het Beursplein, had de toenmalige stadsdeelvoorzitter Freek Salm de moed om de demonstranten toe te spreken. Dat was voor ons ongehoord! In Turkije zou een dergelijke demonstratie door de oproerpolitie uit elkaar zijn gedreven. Maar in Nederland mochten we -onder toeziend oog van het stadsbestuur- niet alleen demonstreren, maar ook nog eens in de openbare ruimte bidden.

Bij velen van ons is er toen een knop omgegaan. De vrijheid van geloof, zagen we, is bij een seculiere democratie in betere handen dan in welk islamitisch land ter wereld ook. Als je naar de inhoud van de rechtsstaat kijkt, met zijn gezondheidszorg, vrijheid van onderwijs, vrijheid van meningsuiting en van godsdienst en met zijn sociale voorzieningen, dan is Nederland in feite een islamitischer land dan het Turkije waarin veel van onze leden geboren werden.

De kern van de grote veranderingen die Milli Görüs ondergaan heeft, ligt in deze dagen. We hadden een conflict, maar los daarvan vonden we de weg naar samenwerkingsverbanden met de overheid om de emancipatie van onze leden, vooral de vrouwen, te bevorderen. En dat was goed zo. Juist omdat we zoveel deden, en zoveel aandacht van de media kregen, bleken we op eens ook in heel veel adresboekjes te staan. We zijn niet naast onze schoenen gaan lopen. We hebben altijd geweigerd namens dé Turken of dé moslims te spreken. We zijn een vereniging gebleven, die enkel namens haar leden spreekt. Soms sprak dat aan. Zoveel dat ik ‘het’ gezicht van Milli Görüs werd.

Milli Görüs is ontstaan als een alternatieve gastarbeidersbeweging. De leden zijn hoofdzakelijk afkomstig van het Turkse platteland, of van families die van dat platteland naar de buitenwijken van de grote steden in Turkije zijn getrokken. Ze voelen zich nauwelijks aangesproken door de Turkse staatsislam, en al helemaal niet door nationalistische organisaties die al dan niet onder dwang hun Turkse nationaliteit wensen te onderstrepen.

In Turkije zelf was er inmiddels een parallelle islam ontstaan, die naast het opzetten van moskeeën vooral zorgde voor maatschappelijk werk, en die daadwerkelijk in staat bleek corruptie aan te pakken. In Turkije resulteerde dat in de Welvaartspartij van Necmettin Erbakan, die voor de in het buitenland levende Turken verwante organisaties opzette. Dat werd Milli Görüs, tegelijkertijd een sociale en een religieuze beweging. Het Europese centrum kwam in Keulen. Vandaar uit werden in andere Europese landen filialen gesticht. Zo ook in Nederland.

Daarna gebeurde er iets wat in die tijd niemand kon voorzien. De leden van Milli Görüs in Nederland, en vooral die in Amsterdam, hadden er na verloop van tijd geen zin meer om vermalen te worden tussen twee culturen. Ze waren best trots op hun Turkse achtergrond. Maar ze ademden met evenveel trots elke dag de vrijheid in van de Nederlandse democratie. Ze besloten hun een eigen weg te gaan. En dat, vanzelfsprekend, niet tot vreugde van iedereen.

De kern van het huidige conflict binnen Milli Görüs is dat Amsterdam definitief besloten heeft om tot de hoofdstroom van de Nederlandse samenleving te willen horen, met alle confrontaties en uitdagingen van dien. Anderen kiezen ervoor om zich onzichtbaar te koesteren in de warmte van hun eigen vertrouwde omgeving. Zonder dat ze daarmee overigens welke wet dan ook overtreden.

Hier komt nog bij dat de beweging waar Milli Görüs oorspronkelijk uit voortkomt, zelf verdeeld wordt door een generatieconflict met wortels in Turkije. Grofweg gezegd: tussen de Turkse koers van oprichter Erbakan, die als mens nog steeds gerespecteerd wordt, aan de ene kant en de Europese koers van de huidige, eveneens zeer gerespecteerde Turkse premier Recep Tayyib Erdogan aan de andere. De waterscheiding in Nederland ligt echter niet bij deze beide stromingen, maar tussen mensen die Turkije als hun kompas blijven zien en mensen die hun eigen toekomst in Nederland willen bepalen.

Dit conflict brengt velen in verwarring. Het ingrijpen van ‘Keulen’ wordt door de één niet als een coup ervaren of een ruk naar rechts, terwijl de andere er het eind in ziet van een zinderende omgang met de rest van de Nederlandse samenleving.

Het beleid van Milli Görüs Nederland kende tot vorige week geen retoriek over integratie en participatie, maar concrete gedragingen. Ik ben een progressieve moslim, een vurig pleitbezorger van een progressieve islam. Vanuit mijn geloof ben ik een warm voorstander van de scheiding van kerk en staat, van democratie, van mensenrechten, van de rechtsstaat. Ik geloof niet dat de vrouw ondergeschikt is aan de man. Ik vind dat moslims wanneer ze dat willen uit de islam kunnen stappen zonder consequenties.

Onder mijn leiding hielden Milli Görüs-imams iedere maand een brainstormsessie. De laatste keer ging die over geloofsafval. In sommige islamitische landen staat daarop de doodstraf. Aan het einde van die sessie zijn ongeveer vijftien imams van Milli Gorus het erover eens geworden dat geloofsafval in de islam wel is toegestaan.

Ik vond dat een doorbraak. Helaas heb ik die, door het gedoe met onze Duitse broeders, nog niet naar de buiten toe kunnen uitdragen. Nu ben ik benieuwd of de nieuwe voorzitter dit standpunt openlijk durft te verdedigen en zelf naar buiten te communiceren. En ook, of hij de plannen voortzet die we hadden om, in samenwerking met de Liberale Joodse Gemeente in Amsterdam, een gezamenlijke reis te organiseren van een groep joden en Turken via Istanbul naar Israël. Steunt het nieuwe ebstuur ons plan voor een koor, bestaande uit Turkse en joodse jongeren? En ziet het een rol voor zichzelf in de clash tussen moslimjongeren en homo’s?

Wat we de afgelopen weken hebben meegemaakt, kan zich elders in Europa ook voordoen. Het aan banden leggen van autonome Milli Gorus afdelingen waardoor verbondenheid met de lokale democratische gemeenschappen op tocht kan komen te staan.

Het nieuwe bestuur moet de samenleving uitleggen waar het conflict over gaat. Het is niet erg geloofwaardig als Milli Görüs Duitsland het oude bestuur weg heeft gestuurd omdat er geen draagvlak zou zijn voor mijn beleid, terwijl het nieuwe bestuur blijft herhalen dat ze mijn beleid voort willen zetten. Anders is het: Keulen locuta, causa finita

Mijn afscheid als directeur van Milli Görüs is een persoonlijke keuze geweest. Ik wil terug naar mijn bronnen en vooruit naar nieuwe horizonten.

Haci Karacaer was tot 1 mei directeur van Milli Görüs Noord-Nederland

donderdag, maart 30, 2006

Geen minaret na ivoren toren

Haci Karacaer

Allochtonen stemden nu massaal op de PvdA. Maar als zij nog verder inburgeren of als de partij fouten maakt, dan lopen ze zo naar een andere partij.
Nederland is weer een hype rijker: allochtonen en hun stemgedrag bij de gemeente- en deelraadsverkiezingen van 7 maart. De gebruikelijke ’witte mannen’ struikelden als vanouds over elkaar om het stemgedrag van migranten te duiden. Met een ondertoon van ’nu het niet met terrorisme gelukt is de boel over te nemen, proberen ze het met verkiezingen’. Achter elk gedrag van allochtonen worden even collectieve als duistere plannen voorondersteld. Als allochtonen niet stemmen, wordt hun verweten met de rug naar de samenleving te staan, als ze wel stemmen is het weer niet goed. Aan de andere kant heb je gebruikelijke allochtonen die verklaren door de hype geraakt te zijn.
Dat in één klap zoveel allochtonen gingen stemmen en er bovendien zoveel allochtonen werden gekozen was natuurlijk nieuws. Voor de media, maar ook voor de partijen zelf. Ik kan me voorstellen, dat PvdA-leider Wouter Bos zich er zorgen over maakte dat zoveel mensen met voorkeurstemmen zouden worden gekozen die zich er niet op hadden voorbereid om raadslid te worden. Dat de kranten daarover berichten en ook niet meteen het antwoord hebben, is logisch. Het gaat een beetje ver om deze berichtgeving te diskwalificeren omdat die racistische trekjes zou hebben, zoals PvdA-voorzitter Michiel van Hulten dat deed. En het is even bizar dat Paul Scheffer in NRC een doemscenario voor zijn partij schetste van een Partij van de Allochtonen, waarvan de autochtonen zouden weglopen.
Ik heb de PvdA de afgelopen twintig jaar horen afschilderen als een regentenpartij, studentenpartij, grachtengordelpartij en nog zowat. Nu allochtonen massaal op de PvdA hebben gestemd (80 procent van de kiezers is trouwens nog altijd autochtoon) heeft de PvdA weer bewezen een dynamische volkspartij te zijn die verschillende groepen in de samenleving kan binden voor een sociale en rechtvaardige politiek.
Het stemgedrag van allochtonen volgt willekeurig welk emancipatieproces volgens het boekje. Riepen de Rode Vrouwen niet op, om op een vrouw te stemmen, homo’s op homo’s , boeren op boeren? Het is alleen maar een voordeel dat een partij behalve vakkennis ook maatschappelijke ervaring in huis heeft.
Misschien leidt dat enigszins tot cliëntelisme bij de eerste generatie raadsleden en kiezers. Maar dat verschijnsel is breder dan migranten. De oude KVP of onlangs nog de Lijst Pim Fortuyn zaten ook zo in elkaar.
Maar passen allochtonen wel in de Nederlandse politieke cultuur? Datzelfde werd vroeger gezegd van vrouwen en, daarvoor, van iedereen die ’slechts’ arbeider was. Als de PvdA vreest dat er door het succes mensen zonder ervaring in de raden komen, is dat een zaak voor de hele partij, niet voor de gekozene alleen. Met mentorschap van een ervaren raadslid en trainingen en cursussen kom je een heel eind.
Maar de PvdA moet oppassen zich rijk te rekenen. Als raadsleden of kiezers zich in de steek gelaten voelen door de PvdA, of als ze door hun verdere inburgering uiteindelijk andere belangen dan etniciteit laten meespelen, dan kunnen andere partijen bij de volgende verkiezingen deze groepen aantrekken.
Na de grote verkiezingsnederlaag van 2002 is de PvdA razendsnel afgedaald uit haar ivoren toren. Het zou goed zijn voor de partij als daarvoor in de plaats geen ivoren minaret.

Trouw, 30 maart 2006

donderdag, januari 26, 2006

Islamcentrum in hoofdstad is nodig

Karel Berkhout

2,5 miljoen euro vereist voor start
Het beoogde centrum voor islamitische kunst en cultuur in Amsterdam zaljaarlijks ongeveer 2,5 miljoen euro gaan kosten, voor de huur van een nieuwgebouw, twintig personeelsleden en de programmering.
Het leeuwendeel van dat bedrag (1,5 miljoen) moet komen van de gemeenteAmsterdam en het rijk, de rest van cultuurfondsen en sponsors .
Dit staat in het businessplan van Kunst- en Cultuurhuis Marhaba(Arabisch voor 'welkom'). Voorzitter Haci Karacaer van de net opgerichtestichting Marhaba is optimistisch over de slaagkans: 'Heel veelAmsterdammers vinden inmiddels dat er een islamcentrum moet komen.'Karacaer verwijst naar een bijeenkomst april vorig jaar in de ambtswoningvan burgemeester Cohen, waar dertig prominente Amsterdammers steunuitspraken voor het initiatief.
Het idee voor een islamcentrum is in 2001 geboren bij lokale bestuurdersin Amsterdam-West, waar veel islamitische immigranten wonen. Marhaba moetin Amsterdam de trots van moslims op de eigen cultuur vergroten, eenontmoetingscentrum zijn voor moslims en niet-moslims, de kennis over de'barmhartige, de literaire en de poëtische islam' bevorderen, demoslimgemeenschap aanzetten tot zelfreflectie en het publieke debat op eendiepgravende manier aanjagen. 'Vergelijk het centrum met het JoodsHistorisch Museum of het Bijbels Museum', zegt Karacaer.
De staatssecretarissen Van der Laan (Cultuur) en Nicolaï(Internationaal Cultuurbeleid) hebben inmiddels een vergelijkbaarinitiatief ontplooid. Een commissie doet nu onderzoek naar een 'mediterraanhuis', waarvan het nog niet duidelijk is of het zich zal richten op hethele Middellandse Zeegebied (Van der Laan) of vooral op Turkije en Marokko(Nicolaï).
In Amsterdam is inmiddels dertig procent van de bevolking moslim. 'Deimmigranten zijn niet langer gasten, maar burgers van deze stad. Hetislamcentrum markeert het einde van de tijdelijkheid', zegt Karacaer.Marhaba wil zich richten op jonge moslims met een hbo-opleiding, jongeautochtonen 'met een grootstedelijk leefpatroon' (studie, reizen, feesten),oudere autochtonen met culturele belangstelling, mediavertegenwoordigersen vooral scholieren vanaf 10 jaar.
Het kunst- en cultuurhuis moet worden gebouwd op een nog nader tebepalen locatie in het centrum van Amsterdam, omdat geïnteresseerden hiermakkelijk binnenlopen. Het gebouw krijgt onder meer een bibliotheek, eenauditorium, een winkel, cursusruimten, een restaurant, een theehuis enexpositieruimten. 'Kleine expositieruimten voor bijvoorbeeld beginnendeschilders', geeft Karacaer aan. 'Wij doen kleinschalige projecten.'
Voor grootschalige projecten wil Marhaba samenwerken met gevestigdeinstellingen. 'Stel dat we een muziekfestival willen organiseren, dan doenwe dat bijvoorbeeld met Het Muziekgebouw', zegt Karacaer. De groteinstellingen staan daarvoor ook open, weet Karacaer: 'Ze moeten ook wel.De Nieuwe Kerk had nooit 400.000 bezoekers getrokken met deMarokko-tentoonstelling als er niet enkele Marokkanen in de organisatiehadden gezeten.'
Ook al moet de financiering nog rondkomen, Marhaba is al wel begonnen.De stichting met in het bestuur onder anderen de publicistes Yasmine Allasen Nazmiye Oral en de ex-politici Felix Rottenberg (PvdA) en PieterWinsemius (VVD). Half februari wordt het programma gepresenteerd. Met ondermeer debatten. Karacaer: 'Niet van die oppervlakkige kemphanengevechten.Stel dat we zouden praten over de zaak-Pamuk, dan gaan we het niet hebbenover Pamuk en zijn tegenstanders, maar juist over de grote groep die ertussen zit.'

NRC Handelsblad, 26 januari 2006